‘Een huwelijk tussen een schrijver en een lezer.’ Daarmee sluit Pauline Slot haar leesavontuur Een jaar met Simon af. De ‘eens zo bewonderde duivelskunstenaar’, is in 2026 ‘vooral beroemd om zijn vergeten zijn’ (p.11). Vestdijk kan wel wat polemiek gebruiken, nu hij vrijwel niet meer herdrukt noch gelezen wordt buiten de kring van de Vestdijkvereniging! Slot kent Vestdijk van de middelbare school en van de tijd dat zij Nederlands studeerde. Een vage herinnering, maar het leesverslag van de 64-jarige schrijfster is opmerkelijk prikkelend.
Debet hieraan is vooral het autobiografisch schrijven over haarzelf, meer dan de soms zuinige bespreking van de tweeënvijftig romans van Vestdijk. Voor haar oordeel zoekt zij wel eens steun bij het boek dat in 1996 verscheen als Het gebergte van Maarten ’t Hart en Hugo Brand Corstius. Vreemd is dat Slot versmaadt kennis te nemen van de door Vestdijk zelf vervaardigde flapteksten waarin hij zijn romans qua focus en intentie toelicht. Pas bij de vierendertigste roman over De laatste kans zegt zij het bestaan van deze introducties toevallig te ontdekken. Het klinkt ongeloofwaardig want Vestdijks toelichtingen staan ook in Het gebergte, direct voorafgaand aan elke boekbespreking. Zij komt ze dus twee keer tegen; eerst op de omslagen van de Verzamelde romans die zij gekocht heeft voor haar leesproject. En bij de repeterende raadpleging van wat Maarten en Hugo in Het gebergte opmerken over dezelfde romans. Pauline negeert Vestdijks introducties om niet beïnvloed te worden. Umberto Eco zou hierbij zijn wenkbrauwen fronsen, want lezers, zegt hij, zijn vrij in het interpreteren van literair werk met in achtneming van de intenties van de auteur. Door dit beginsel te negeren mist Slot enkele keren de juiste afslag te nemen.
De titel Een jaar met Simon spoort niet helemaal met het einde. Onder haar laatste zin staat: ‘Warmond, maart 2024-augustus 2025.’ De schrijfster doet hier een ‘Vestdijkje’ die steeds onder elke roman de periode noteerde waarin hij de roman schreef. Slot gebruikt anderhalf jaar, wat nog snel is als we in aanmerking nemen dat Vestdijks eerste, maar postuum verschenen roman, Kind tussen vier vrouwen al twee maanden van haar tijd vergde. Voor de overige eenenvijftig romans resteren nog veertien maanden, waarin zijn langste romans (De vuuraanbidders en Het vijfde zegel als goede tweede) nog moesten komen. De bespreking van Meneer Visser’s hellevaart, de tweede roman, begint dan ook in mineur, omdat van het idee om elke week één boek te lezen en daarover te schrijven niets terecht is gekomen. Er waren nog lessen te geven, verhalen te becijferen, en vermoeidheid (p.29). Onderweg leest zij ook nog ander werk van en over Vestdijk voor de nodige achtergrond. Bovendien is Pauline reislustig. Dat begint met tripjes van Warmond naar de Eifel en terug. De Eifel is nog dichtbij, maar er komen verderaf gelegen plaatsen die per auto of vliegend worden bereisd; deze reistijd vergende bestemmingen gaan naar Italië, en meermaals naar Griekenland en Frankrijk.
Met toeristisch vermaak en in gezelschap wordt Vestdijk verorberd, druk aantekeningen makend als verwerking van Een jaar met Simon. In de verdeling tussen Vestdijk en haarzelf houdt zij vrijwel het veilige fifty-fifty aan. Toch krijgen niet alle romans een volwaardige bespreking. Sommige boekbesprekingen zijn die naam nauwelijks waard. Dat stempel kleeft al aan de jeugdige Anton Wachter-romans Sint Sebastiaan, Surrogaten voor Murk Tuinstra en De andere school die anders dan Terug tot Ina Damman zuinigjes en verwijzend worden besproken naar wat al bekend was uit Kind tussen vier vrouwen. Merkbaar is ook dat Slot geen liefhebber is van historische romans, bij Vestdijk veertien in getal. In dit genre springt Het vijfde zegel eruit. Deze door ziekte van Vestdijk moeizaam tot stand gekomen romen over de schilder El Greco kon haar wél bekoren.
Steeds worden leeservaringen verweven met of zijn aanleiding voor autobiografische confidenties vol uitweidingen over Slot zelf. Die opdracht kreeg de schrijfster nadrukkelijk mee van haar redacteur Esther: ’Ik wil wel veel van jou zien’. Pauline vult dit stilzwijgend aan met: ‘dus niet te veel van Vestdijk’, wat klinkt als een ‘verstandig relatieadvies’ (p.17). Toch wil zij in deze ‘nieuwe liefde’ opgaan omdat Pauline vermoedt dat de ‘vrijwel vergeten schrijver [haar] een nieuw begin kon geven’ (p.10). Kort daarvoor is haar vader overleden. Aanvankelijk speelt het afscheid van haar overbezorgde vader met wie zij, evenals met haar depressieve moeder, moeilijk contact had een grote rol. Later vereist de ziekte en dood van haar moeder veel warme aandacht over rouw en verdriet in de afsluitende hoofdstukken, maar zij wordt niet, zoals haar vader, in de ondertitel vermeld. Het voelt oneerlijk, zeker als Vestdijk het absurde verwijt krijgt: dat ‘vrouwen quantité negligeable zijn’ (p.403). Wel is ‘de liefde voor het lezen’ ondertiteld en mag Vestdijk in naam vooropgaan. Vermoedelijk een concessie van de uitgever die Vestdijk commercieel gezien niet graag als uithangbord op het omslag wil hebben. Het voorstel Een gearrangeerd huwelijk als titel bevalt Slot niet echt. Haar voorkeur heeft Mijn jaar met Simon, maar als favoriet komt toch Een gearrangeerd huwelijk naar voren in de Amsterdamse schrijfclub met wie Slot de voortgang van haar boek bespreekt (p. 300). Het wordt uiteindelijk Een jaar met Simon.
Doel en compositie van het leesproject
Waarom koos Pauline Slot voor Vestdijk? Haar eerste geliefde Edu was Vestdijkfan en voor haarzelf was de auteur evenmin nieuw. Zij wil Vestdijk ‘leren kennen alsof we elkaar voor het eerst ontmoeten’. Ze gebruikt toch de werkterm ‘een gearrangeerd huwelijk’ met haarzelf als ‘koppelaar’ (p.11). Dit koppelen bereikt een hoogtepunt als Pauline uitvoerig uit brieven van Vestdijk aan zijn geliefde Henriëtte van Eyk citeert. Met die brieven heeft Vestdijk haar ‘weer terugveroverd [na] onze Rumeiland-relatiecrisis’ (p.128). Dweperig staat er ‘O, Simon nu heb je me helemaal.’ Houdt dat wel stand? Nee, want behalve voor ‘racist’ door Rumeiland zal Vestdijk later ook voor ‘seksist’ worden uitgemaakt! Zij bespreekt dan Het verboden bacchanaal, waarin regelende Mary zowel haar man als haar lover voorliegt over haar buitenechtelijke relaties.
De romans worden in volgorde waarin ze geschreven zijn gelezen en besproken, niet in de volgorde waarin ze zijn verschenen. Al lezend wil zij begrijpen waarom Vestdijk ‘van de ene roman naar de andere ging’ en hem zo leren kennen op de leeftijd dat hij ze schreef om haar ‘leven met hem te delen en samen de ouderdom bereiken. En dan wil ik zijn weduwe zijn’ (p.12). Het leesproject is het aangaan van een persoonlijke band; een soort ‘date’, dat zij op haar leeftijd sadder and wiser eigenlijk voor gezien houdt. Zij zoekt in Vestdijk herkenning en zoals ChatGPT (!) het haar zo mooi aanreikte: ‘een hoogstpersoonlijke zoektocht naar mijzelf’ (p.293). Het lijkt al met al neer te komen op een therapeutische (her)lezing van zijn oeuvre, minder een ‘gearrangeerd huwelijk’, eerder een ‘gearrangeerde therapie’ waarover zij zelf de regie voert.
In de compositie van het boek valt op dat de romans zijn opgedeeld over vijf afdelingen die gebaseerd zijn op het tweede vers uit Vestdijks meest bekende gedicht ‘De uiterste seconde’. Het melancholieke, ontroerende gedicht is opgedragen aan Ans Koster, zijn levensgezellin. Het wordt integraal geciteerd (p.113) als De zwarte ruiter besproken wordt. Helaas bevat het gedicht een storende, onbegrijpelijke fout in de derde versregel. Toch is het citeren op te vatten als een ode aan betere tijden met Ans Koster. Met haar wandelde Simon en de twee honden in de Doornse Kaapse bossen waar De zwarte ruiter zich afspeelt. Het tweede vers bestaat uit vijf zinnen die Slot gebruikt voor de indeling in vijf afdelingen van haar boek. Elke afdeling met een variërend aantal hoofdstukken.
I Hier stond het huis (romans 1-11, 96 pagina’s)
II Hier liep zij met de honden (romans 12-20, 64 pagina’s)
III Hier maakte zij de bruine halsband los (romans 21-32, 78 pagina’s)
IV Hier hebben wij de stinkzwammen gevonden (romans 33-40, 52 pagina’s)
V Op een beschutte plek in het sparrenbos (romans 41-52, 66 pagina’s)
De logica van de opdeling van de romans over de betreffende afdelingen is niet gegeven, noch te raden, of het is dat Pauline een zekere compassie met Ans wil uitdrukken. Een gevoel dat zij niet opbrengt voor Mieke Vestdijk op wie zij jaloers is. Haar boek Afscheid van Simon wordt lang gemeden. Er is geen poging ondernomen op grond van een inhoudelijke of thematische ontwikkeling het romanoeuvre van Vestdijk te periodiseren, zoals door andere auteurs wel is gedaan. Met het vorderen van haar project, om precies te zijn bij roman negenenveertig, Het schandaal der blauwbaarden, schrijft Slot dat ze in deze fase van haar treffen Vestdijk ervaart ‘als de herhaalpraat van een oude man.’ (p.393). In De hôtelier doet niet meer mee is ze evenmin vleiend: ‘Zijn stijl is onverminderd virtuoos, maar het leven is eruit.’ Zij vraagt zich af of iemand ‘de latere Vestdijk niet zijn spreekwoordelijke autosleutels had moeten afnemen.’ Vestdijk ‘bleef maar rondjes draaien’ (p. 387).
Compositorisch boeiend zijn de ‘twee cirkels’ die in alle hoofstukken compareren: er is de boekbespreking van een roman en in een tweede cirkel vertelt Slot over haar eigen wederwaardigheden, haar autobiografisch verhaal. Het streven is de cirkels een mate van overlap te geven. Soms lukt dat beter dan een andere keer. Elke lezer heeft dit allang in de gaten als de schrijfster in hoofdstuk vijfenveertig over Een huisbewaarder het tijd vindt ‘voor een complete biecht’ bij wijze van ‘disclaimer’ (p. 367-369). De biecht bestaat hieruit dat zij haar materiaal vervormt d.w.z. de twee verhaallijnen hebben hun eigen tempo, soms snelt het lezen vooruit, soms snelt het bestaan vooruit en moet zij beide ineenvoegen. Zo zijn de ziekte en dood van haar moeder later empathisch beschreven en ingevoegd in de hoofdstukken waar het leesproject naar zijn einde spoedt en Slot al naar het afscheid van Vestdijk uitkijkt. Slot zegt het risico te nemen het memoir te tonen als ‘hybride’ waarin ‘niet de orde van de dag, maar de orde van de kunst’ prevaleert die aangewezen is op vormgeving. Zeker, daarin schuilt de kracht en aantrekkelijkheid van haar project. Ze heeft gelijk: ‘Niemand wil zien hoe de worst gemaakt wordt’.
Therapeutisch lezen
Al direct bij lezing van Kind tussen vier vrouwen, Vestdijks geweigerde romandebuut, beseft Slot dat ‘het de angst is die [haar] naar Vestdijks werk heeft teruggeroepen.’ Zij vermoedt dat hij haar zou begrijpen, omdat alles ‘wat zij in het hoofd van Anton Wachter aantreft zelf ook kent en is’ (p.18/19). Na de dood van haar vader is zij haar angst niet meer goed de baas, is labiel en strooit met details over haar gesteldheid: depressief, eetstoornis, in therapie, migraine, eenzaamheid en geslotenheid van een oester.
Als Anton Wachter in Kind de kop van zijn suikerlam afhapt, barst hij uit in een vreselijke huilbui. Anton beseft dat zijn suikerlam-zonder-kop niet meer dezelfde is. Om dit verlies moet hij erg huilen. Pauline leeft sterk mee met Anton en reageert daar klassiek psychoanalytisch op: ‘Zou het niet mooi zijn als mijn verleden eindelijk eens zichzelf kan zijn, zich niet anders hoeft voor te doen dan het is? Kijk, zegt de verloren tijd, ik ben een suikerlam zonder kop, eet mij op en zie niet om. Ik kauw en laat de suikerromp tussen mijn tanden kraken. Ik voel hoe iets in mijn heden zich herschikt’ (p.27). Al bij lezing van Vestdijks debuut lijkt haar therapeutische lezing te werken. Nog sterker komt dit naar voren bij De redding van Fré Bolderhey. Voor Slot een liefdesroman met een lange hallucinatie! Zij identificeert zich geheel met de uit medelijden hallucinerende Eddie Wesseling. ‘Vestdijks magistrale spel’ helpt haar (p.170): ‘Net als Eddie (…) heb ik een sterke drang om te redden, een drang die nauwelijks te beheersen valt, hoezeer ik daar tegenwoordig ook mijn best voor doe.’ Pauline vraagt zich af of zij ‘ooit heeft liefgehad zonder te willen redden’ (p. 171)? Fré is een triomf (p.174).
Toch er is ook huiver. Die speelt op bij lezing van drie andere liefdesromans. In De koperen tuin ziet Slot dat Nol en Trix ‘als volwassen mensen verweven maar ook verscheurd raken’ en Pauline vervolgt dan: ‘Het is waar ik zelf ook ben als het om Vestdijk gaat: we zijn samen en gaan toch van misverstand tot misverstand’ (p.202). In De dokter en het lichte meisje kenschetst Slot de liefde tussen beide als ‘de eeuwige zoektocht naar de juiste afstand tussen twee mensen’. Maar zichzelf stelt ze de vraag of zij niet ‘een klomp begint te vormen met Vestdijk, een massa? Houd ik wel voldoende afstand? Of ben ik bezig mijzelf te verliezen in een ander (p.214)?
Door Op afbetaling schrikt Pauline op als ze voelt dat haar vader in dit boek is ‘geïnfiltreerd’. Zij werkte aan een ander boek over haar vader juist om zich van hem te verlossen. Zij hoopt door Vestdijk straks haar ‘schuld aan mijn vader te hebben afbetaald, en hij zijn schuld aan mij’ (p.226). Na Afbetaling, en vooral door de ‘write-off’- roman De schandalen merkt Slot dat het leesproces nog een voordeel heeft: confrontaties met haar vader brachten haar ‘in verwarring’ en tot zwijgen, maar in het lezen van Vestdijk ‘leer ik om elk moment te voelen wat ik vind en dat hardop te zeggen’ (p.240). Zou dit mede gekomen zijn door de twee karaktervolle vrouwenportretten die Vestdijk in deze romans gestalte heeft gegeven? Olga als de evenwichtige en geduldige vrouw van de ten onrechte wrekende echtgenoot Grond in Afbetaling en de zelfbewuste Emy Crammacher in Schandalen die eerst Wegener aantrekt, hem weerstreeft en afwijst ten gunste van de tuinman. Het is het begin van Wegeners ondergang.
Ups en downs
De kwaliteit van de romanbesprekingen lopen nogal uiteen. Soms geeft de karakteristiek die aan elk hoofdstuk wordt meegegeven in combinatie met de titel van de roman al een goede indicatie voor een mindere bespreking. Voorbeelden hiervan zijn: ‘Overbodigheid’ voor Open boek; ‘De arme Pauline’ voor De arme Heinrich; ‘Vestdijkerij’ voor Zo de ouden zongen; ‘De schreef’ voor De leeuw en zijn huid en ‘Brievenboeken’ voor Het proces van Meester Eckhart. Daar staan betrokken besprekingen tegenover. Dit geldt vooral voor de erkende kroonjuwelen zoals: Kind, Ina Damman, en De redding. In de plus staan ook de meesterwerken Iersche Nachten, Ivoren wachters, Pastorale 1943, Bevrijdingsfeest en Het glinsterend pantser, maar het allerhoogst in ‘extase’ staat De kellner en de levenden. De religieuze duiding ervan blijft wat onderbelicht, maar zij bepleit een herdruk en vooral een nog altijd ontbrekende Engelse vertaling.[1]
Ina Damman noemt Slot als lovend voorbeeld van al het goede komt in drieën. Dat ‘levert een puntgave roman op, zorgvuldig gevormd, virtuoos geschreven.’ Toch mist zij vergelijkenderwijs ‘de onderdompeling’ van Vestdijks oerboek Kind met ‘de wat rullere levendigheid’ (p. 47). Ook over de ‘pestkop’ Meneer Visser maakt Slot een originele opmerking: Visser is een ‘Alleman’. Leuk gevonden, maar waarom zij hem wel, maar in Anton Wachter geen ‘Elckerlijc’ ziet, is toch opmerkelijk. Is Anton in zijn tijd niet ook algemeen als angstige botterik?
Puriteinen en Piraten is levendig besproken, ondanks de verzuchting: ‘O nee, niet weer’ als Slot merkt dat het opnieuw een historische roman is (p.158). Wie haar ook tegenstaat is de actrice Arabella. Voor haar ‘geen persoon, maar een bonte verzameling misogyne clichés, een poppenkastfiguur’ (p.159). Toch gooit zij het boek niet weg zoals ze eerder wel deed met Rumeiland. Vestdijks brieven aan Jetje van Eyk in Wij zijn van elkaar geven haar beter zicht op het karakter van Vestdijk. Er leeft een ‘demon’ in hem, een gespletenheid die hem soms piraat doet zijn, soms puritein. Dat werpt een nieuw licht op hem en op zijn roman: Puriteinen en Piraten wordt ‘een fantasie over groots en meeslepend leven, geschreven door een vastgeroeste tobber’ (p.165). Strookt dit wel met de introversie die Slot Vestdijk toeschrijft (p.335)? Kan iemand die tweeënvijftig romans produceert en nog zo veel meer wel introvert zijn? Haar doorzetten in Puriteinen en Piraten wordt beloond door de schitterende passage in de roman over Kaap de Goede Hoop, vroeger Stormkaap geheten. Virtuoos vindt Slot het en dat zegt zij niet zomaar, want zij ‘kent haar klassieken’ (p.166).
[1]De herdruk is er inmiddels met een voorwoord van Pauline Slot. Daarin gaat zij nog uit boven haar ‘extase’ in Een jaar met Simon. Zij kwalificeert de roman als ‘Fenomenaal. Aangrijpend. Geestig. Visueel overweldigend. Eindeloos intelligent.’ Én gelukkig: de ‘weddenschapsfout’ -lees het vervolg- is verdwenen.
Er zijn boekbesprekingen waarin weinig ups en veel downs door Slot worden uitgesproken. Op zich niet verwonderlijk want Vestdijk schreef romans waarin hij de mindere was van zichzelf. Maar zij keert zich tegen hem op een vooringenomen wijze. Zij wil vanuit het heden moreel aan de goede kant staan en kan zich moeilijk verplaatsen in de (in het verleden) gehanteerde taal en sociaal-culturele gewoonten. Zo stoort zij zich aan het woord ‘hoer’ dat zij een ‘kutwoord’ vindt. Dat mag wel.
Rumeiland, de avonturenroman van Vestdijk vindt Pauline racistisch. Weg ermee! Slot schakelt éen op een personage gelijk met de schrijver en de schrijver met de persoon achter de schrijver. Dat kan niet in fictie, al helemaal niet in historische fictie! Het gevaar van foute interpretaties ligt op de loer. Dat is het geval bij Richard Beckford die ten onrechte als racist wordt bestempeld omdat hij geen contact krijgt met slaven op de suikerplantages. De vierentwintigjarige is zeker onsympathiek. Net afgestudeerd loopt hij hautain te koop met zijn Oxford-studie, waardoor hij mensen van zich vervreemdt. Zijn drievoudige missie -wie fraudeert, wie vermoordde zijn broer, en ontmoeting met de pirate Anne Bonney- loopt dan ook op niets uit. Ontgoocheld moet hij het eiland verlaten. Zijn belangrijkste tegenspelers zijn achterneven en de kranige, sluwe Lady Jane. Zij beduvelt hem en gelast hem te vertrekken. Terug in Engeland raakt de gekleineerde Richard aan de drank en het woord ‘Oxford’ kan hij niet meer horen! Hij is gevloerd! Vestdijk valt moreel niets te verwijten.
Een andere morele confrontatie volgt bij de bespreking van De held van Temesa. Pauline walgt van het jaarlijks offeren van maagden aan de held Polites om hem welgevallig te stemmen voor de stad. Het offer wordt ritueel voltrokken door de priester Plexippos die echter de benevelde maagden vermoord door wurgseks. Polites komt er niet aan te pas. Slot verwijt Vestdijk ‘van twee walletjes te eten’, niet alleen in deze roman, maar ook in zijn leven en ander werk (p. 320). Slot besluit: ‘Vestdijks vrouwelijke personages zijn weeldediertjes die in dienst staan van de man’ en ‘niet alleen in het oude Griekenland, maar ook aan de fantasieën van een eenenzestigjarige schrijver in Doorn’. Twee pagina’s later komt het verwijt er zo uit in de door haar overigens gewaardeerde Een Alpenroman dat over ‘lesberie’ gaat: ‘Vestdijk ‘was een ongelooflijke seksist’ (p.322). Slot ziet bij Vestdijk slechts een tweeledig vrouwbeeld: als onbereikbaar droombeeld of als hoer. Hella Haasse zag een kwartet: Dame, Deerne, Dienster, Dochter in een door mannen gedomineerde wereld. Niet als ideaal, maar uiting van kleinburgerlijkheid dat hij verachtte, ook in de priester Plexippos. Hij wordt ontmaskerd als een gevaarlijke bedrieger en seksverslaafde misdadiger. De criticus Wadman bestempelde hem als een ‘Griekse Eichmann’. Slot vreest met reden het oordeel van Kees ’t Hart die in De toetssteen waarschuwt voor de ‘niet goede Vestdijklezer’ (p.319).
Zelfs in de bespreking van de door haar bewonderde De kellner tast Slot mis. Zij spreekt over een weddenschap tussen de goede en de slechte kelner, respectievelijk Jezus en de duivel. Maar de weddenschap is tussen God de Vader en zijn Zoon! De Vader verwacht dat de levenden Hem zullen verloochenen om zijn scheppingsfouten. In het werk van Vestdijk wordt God de Vader vaker als een laffe prutser voorgesteld. Laf, omdat hij niet zelf, maar zijn zoon aan het kruis offert voor zijn scheppingsfouten. Het is de aarstengel Michaël die dit centrale idee verwoord in De Kellner. Hij is verantwoordelijk voor het laatste oordeel, maar overweegt te deserteren. In De vuuraanbidders was het Gerard Criellaert die van zijn geloof afvalt, omdat God zelfs het martelen en doden van onschuldige kinderen toestaat. Het bestaat niet dat een Almachtige, alles voorbeschikkende God dit toelaat. In De ziener is de voyeur Le Roy als metafoor voor de schepper of scheppende kunstenaar, uiteindelijk ook machteloos. De sterke vrouwelijke persoonlijkheid die onderwerp is van zijn schepping, Toos Rappange en haar leerling Dick weigeren als creatuur en lotgeval van hun schepper Le Roy door het leven te gaan. Moedig gaan zij uiteen.
Slot tast ook mis bij de bespreking van Een moderne Antonius. Weer versmaadt zij de begeleidende flaptekst van Vestdijk te lezen, want hieruit blijkt dat het hier niet gaat om de dertiende-eeuwse Antonius van Portugal (opgezocht door P.S.), maar om Antonius de Abt in Egypte uit de derde en vierde eeuw. Deze abt en woestijnheremiet wordt herhaaldelijk bezocht door de duivel om hem te verleiden, tevergeefs. Het gaat niet om de patroonheilige van de reizigers, noch om die van de kloosterlingen. Slot verbindt de moderne Antonius met een irrelevante context. Fens schatte de moderne Antonius goed in als een ‘geseculariseerde’ Antonius die aan andersoortige verleidingen blootstaat.
Met de bespreking van Vestdijks laatste roman bereikt Slot wel het dieptepunt van haar boekbesprekingen. Bovenaan staat als karakteristiek het schimmige ‘Brievenboeken’ Gaat het om drie brievenromans die Vestdijk met anderen schreef? De bespreking beslaat niet meer dan het citeren van de laatste lange, moeilijke zin uit de roman als ‘perfecte samenvatting’. Dat is die zin niet, ook niet in de door Slot hertaalde versie. Daarvoor had zij veel beter het volgende uit de mond van Eckhart, kunnen citeren: ‘Ik was verstrikt in de woorden, daar is alles mee gezegd, de weerleggingen, de definities, de rusteloze dialectiek der gedachten, waarmee de in de tijdelijkheid verstrikte mens de eeuwigheid poogt te vangen.’ Eckhart erkent dat zijn woorden, stellingen, preken, en geschriften te veel een theologisch woordenspel zijn geweest. Vestdijk heeft zich al eind jaren dertig verdiept in deze mysticus en op zijn lijstje geplaatst om over hem te schrijven. Hij wacht daar lang mee; pakt het op als hij al ernstig ziek met het einde van zijn schrijverschap wordt geconfronteerd. Opnieuw keert Vestdijk terug naar de woordkunst, waarover hij ooit hoge verwachtingen koesterde, maar die hij allengs in navolging van Eckhart heeft bijgesteld. Woorden krijgen in handen van anderen ook andere bedoelingen. Als schrijver heeft hij dat zelf moeten ervaren in kritieken. Het is niet verkeerd Vestdijks laatste roman als zijn ‘testament’ te zien. Het boek had een waardiger bespreking verdient.
De eindconclusie over Een jaar met Simon is dat het plezierig was om te lezen. Als bijdrage aan de ‘Vestdijkkunde’ heeft het geringe betekenis. Als aanzet voor een autobiografie van de schrijfster is het relevant en kansrijk.
Maak jouw eigen website met JouwWeb